Veelgestelde Vragen over evolutie
Wat is evolutie?
Evolutie houdt in: een verandering (over de tijd) in de frequenties van erfelijke eigenschappen in een populatie. Evolutie is een langzaam en gelijkmatig proces, maar in de 3.500.000.000 jaar sinds het ontstaan van het leven is er meer dan voldoende tijd geweest om de gemeenschappelijke voorouder van al het leven te laten evolueren en uitwaaieren tot de enorme diversiteit die we nu op aarde zien.
Wat is een aanpassing?
Een aanpassing is een erfelijke eigenschap die een organisme een hogere kans geeft om te overleven en zich voort te planten in een bepaalde omgeving. Zo komen donker gekleurde huisjes bijvoorbeeld meer voor bij Cepaea's die in donkere leefgebieden (zoals bos) leven dan in open leefgebieden zoals grasland. Dit komt waarschijnlijk doordat de kleur van het huisje beter past bij de achtergrond (donker in donkere leefgebieden), waardoor de slak beter gecamoufleerd is tegen de vogels die slakken eten. Donker gekleurde huisjes in donkere leefgebieden zijn dus een aanpassing aan deze leefgebieden, terwijl licht gekleurde huisjes een aanpassing zijn aan open biotopen.
Wat is natuurlijke selectie?
Natuurlijke selectie is het mechanisme waardoor een aanpassing zich verspreidt. Het is het proces waarbij overgeërfde eigenschappen die de kans op overleving verhogen ten opzichte van andere, minder voordelige eigenschappen, over de generaties in frequentie toenemen.
Wat is het stamouder-effect?
Sommige populaties worden gestart door een klein aantal individuen, wier nakomelingen dan alle eigenschappen dragen van die paar stamouders. Omdat Cepaea hermafrodiet is, kan zelfs een enkele slak een nieuwe populatie starten als hij al eerder bevrucht was. Hoewel de meeste Cepaea-populaties meerdere kleurvormen bevatten, zijn er ook sommige waarin, vanwege het stamoudereffect, maar één kleurvorm voorkomt. Dit is vooral het geval bij populaties buiten het oorspronkelijke verspreidingsgebied van Cepaea, zoals de populaties die zijn ingevoerd in Noord-Amerika.
Waarom wordt Cepaea gebruikt voor het bestuderen van evolutie?
Cepaea is een goed organisme om evolutie in de natuur aan te bestuderen omdat ze hun genen als het ware 'op hun rug meedragen'. Met andere woorden, je kunt de genetische samenstelling van een slakkenpopulatie vast stellen door hun slakkenhuisjes te bekijken. De eigenschappen van de huisjes zijn aanpassingen en zijn variabel bij Cepaea, waardoor het mogelijk is om naar de effecten van natuurlijke selectie te kijken. Vanwege die voordelen bestaat er een grote hoeveelheid oude gegevens over Cepaea-populaties die we nu als referentie kunnen gebruiken bij het Evolutie-MegaLab.
Waarom zijn Cepaea-populaties veelvormig?
Dat is een heel goede vraag! Waarschijnlijk staat de veelkleurigheid van het huisje bloot aan een aantal selectiedrukken (waaronder aanvallen door vogels en klimaatsfactoren), die van plek tot plek, waarschijnlijk zelfs binnen een leefgebied, verschillen.
Wat is de genetische basis van de veelkleurigheid bij het huisje van Cepaea?
Het is nogal ingewikkeld, maar simpel gezegd zit het zo: de kleur van het huisje wordt bepaald door een gen dat C heet, en voor dat gen bestaan varianten (allelen) voor bruin, roze en geel; de dominantie loopt ook in die volgorde (bruin > roze > geel). Een ander gen, dat B heet, heeft twee varianten (allelen) die de aan- en afwezigheid van banden bepalen (afwezig is dominant over aanwezig). De genen C en B zijn gekoppeld (ze liggen op hetzelfde chromosoom).
Een derde gen, U, dat niet aan B en C gekoppeld is, heeft twee allelen: 1-bandig, dat dominant is over 5-bandig.
Meer details van de erfelijkheid zijn te vinden in een overzichtsartikel, speciaal voor het Evolutie-MegaLab geschreven door professor Laurence Cook (zie de onderstaande koppeling).















